Interactieve Modus

	A=P() 
		punt
	    Tekent een punt op een willekeurige positie. 
	    
	A=P(0,1) 
	    Een vast punt. 
	    
	a=l(B,C) 
	    lijnstuk 
	    Een lijnstuk van B tot C. 
	    
	a=l(B,2) 
	    Een lijnstuk met vaste lengte (hier 2). 
	    
	a=r(B,C) 
	    rechte 
	    een rechte door B en C. 
	    
	a=s(B,C) 
	    straal 
	    Een straal (halfrechte) van B tot C. 
	    
	k=c(A,B) 
	    cirkel 
	    Een cirkel met als middelpunt A en straal AB. 
	    
	k=c(A,2) 
	    Een cirkel met een vaste straal (hier 2). 
	    
	k=c(A,B,C) 
	    Een cirkel met als middelpunt A en straal BC. 
	    
	A=I(g,g) 
	    intersectie 
	    Snijpunt van twee rechten. 
	    
	A,B=I(k,k) 
	    Beide snijpunten tussen twee cirkels, of tussen cirkels en rechten. 
	    
	M=M(A,B) 
	    middelpunt 
	    Het middelpunt van het lijnstuk AB. 
	    
	g=e(g,A) 
	    evenwijdige 
	    De evenwijdige door punt A aan rechte g. 
	    
	g=n(g,A) 
	    loodlijn 
	    De loodlijn door A op g. 
	    
	a=h(A,B,C) 
	    hoek 
	    De hoek A,B,C 
	    
	a=h(A,B,90) 
	    Een hoek met eenv vaste grootte. 
	    
	A=area(P1,P2,P3) 
	    area 
	    Tekent een oppervlakte met deze hoekpunten. 

	E=uitdrukking(s)
		uitdrukking
		Maakt een uitdrukking met string s op een willekeurige plaats.
	    
	waarde(P,0,1) 
	    waarde 
	    Zet het punt P vast op gegeven cordinaten (0,1) 
	    
	waarde(l,2) 
	    Fixeert de lengte van het lijnstuk l (op 2 cm). 
	    
	waarde(c,2) 
	    Maakt de straal van de cirkel c vast. 
	    
	waarde(h,90) 
	    Geeft een waarde aan een hoek h. 
	    
	waarde(waar,o) 
	    Zorgt dat de waarde voor o wordt getoond.
	    "waar" kan weggelaten worden.
	    
	waarde(waar) 
	    Zorgt dat alle waarden vanaf nu worden getoond. 
	    
	naam(o,p) 
	    naam 
	    Geeft o de benaming p. 
	    
	naam(waar,o) 
	    Zorgt dat de benaming van o wordt getoond. 
	    "waar" mag je weglaten.
	    
	name(waar) 
	    Zorgt dat alle benamingen vanaf nu worden getoond. 
	    
	verberg(waar,o) 
	    verberg 
	    Verbergt of toont o. 
	    "waar" can be omitted.
	    
	verberg(waar) 
	    Stelt de standaardtoestand van voorwerpen in. 
	
	invisible(true,o) 
	    invisible 
	    Hides or un-hides o completey. 
	    "true" can be omitted.
	    
	verberg(waar) 
	    Stelt de standaard volledig verborgen toestand voor voorwerpen in. 
	
	kleur(groen,o) 
	    kleur
	    Geeft voorwerp o de kleur groen (of rood, blauw, bruin) 
	    
	kleur(groen) 
	    Stelt de standaardkleur in. 
	    
	dikte(dik,o) 
	    dikte 
	    Maakt voorwerp o dik (of normaal of dun). 
	    
	dikte(dik) 
	    Stelt de standaard lijndikte in op dik (of normaal/dun) 
	    
	type(vierkant,P) 
	    type 
	    Stelt het punttype van P in op vierkant (cirkel/ruit/punt). 
	    
	type(vierkant) 
	    Stelt het standaardpunttype in. 
	    
	gedeeltelijk(waar,k) 
	    gedeeltelijk 
	    Maakt voorwerp k gedeeltelijk zichtbaar. 
	    "waar" mag je weglaten.
	    
	gedeeltelijk(true) 
	    Stelt dit in als standaardtoestand. 
	    
	vul(waar,o) 
	    vul 
	    Maakt voorwerp o gevuld. 
	    "waar" mag je weglaten.
	    
	terug(waar,o) 
	    terug 
	    Duwt het voorwerp o naar achteren. 
	    "waar" mag je weglaten.
	    
	venster(0,0,5) 
	    venster 
	    Maakt het venster 2*5 breed met centrum (0,0). 

	stomp(waar,h) 
	    stomp
	    Laat toe dat hoek h groter dan 180 graden wordt.
	    "waar" mag je weglaten.
	    
	stomp(waar,h) 
	    stomp
	    De hoek is altijd stomp.
	    "waar" mag je weglaten.
	
	beperk(c,A,B)
		beperk
		De cirkel c wordt alleen getekend van A tot B.
	
	Op plaatsen waar punten verwacht worden kan je c(k), a(l) en b(l)
	gebruiken. c(k) is het middelpunt van de cirkel k, a(l) en b(l)
	zijn de twee gegeven punten van een lijnstuk, straal of rechte.
	

Macro's

	Macro's kan je ook in de interactieve modus gebruiken. Namen aan de
	linkerkant van '=' worden toegekend aan de macrodoelen. Als er meerdere
	doelen zijn moeten de namen gescheiden worden door komma's. Je mag een
	extra parameter gebruiken om een waarde aan een voorwerp toe te kennen
	(het programma zal je dan een waarde vragen in te geven).


Wiskundige uitdrukkingen

	Uitdrukking gebruiken de gebruikelijke wiskundige conventies, bvb. 
	voorrang van */ of +-.  Je kan ook machtsverheffing gebruiken (^
	of **). Ook haakjes kunnen gebruikt worden.
	
	Je kan volgende wiskundige functies gebruiken: sin, cos, tan,
	arcsin, arccos, arctan, sqrt, abs, sign, exp and log. Afronden
	naar gehele getallen kan met round, ceil en floor. x(P) en y(P)
	berekenen de cordinaten van het punt P. d(P,Q) berekent de afstand
	tussen twee punten P en Q. a(A,B,C) berekent de hoek ABC. angle360
	en ange180 brengen hoeken terug tot het interval van 0 tot 360 en
	van -180 to 180 graden respectievelijk.
	
	Namen van lijnstukken, cirkels en hoeken worden vertaald naar
	lengte, straal en grootte respectievelijk.


--- moet nog vertaald worden, sorry ---	
Descriptive constructions in files

	One can load constructions from a file, or edit and then load such
	constructions. An example can is this file. The syntax is line
	oriented and uses the commands described above. Line comments
	starting with // may be used. The files may contain macros like
	this
	
		macro U 
		// Constructs a circle through three points
		    parameter A=point // Select first point
		    parameter B=point // Select second Point
		    parameter C=point // Select third point
		    g1=MS(A,B)
		    g2=MS(A,C)
		    U=intersection(g1,g2)
		    target k=circle(U,A)
		end
	
	The indents are optional. Comments in the parameter lines are used
	as prompts, if the macro is used interactively. This macro calls
	the macro MS with two parameters.
	
		macro MS
			param A=point
			param B=point
			partial(true)
			k1=circle(A,B)
			k2=circle(B,A)
			partial(false)
			P1,P2=intersection(k1,k2)
			invisible
			target g=line(P1,P2)
		end
	
	If a line constructs two objects, the target must be defined
	separately. The invisible statement hides all details completely.
	This command can also be applied to single objects. The showall
	statement is the contrary.
	
		A,B=intersection(g,k)
		target B
	
	If a macro has more than one target, all targets must be
	assigned.
	
		A,B=test(...)
	
	Prompts are defined by the keyword prompt in front of an object
	name.
	
		k=circle(A,5)
		pompt k
	
	Here is an example of a macro using a segment as a parameter.
	
		macro MS
		// Mittelsenkrechte
			A=point
			B=point
		    parameter s=segment(A,B)
		    ...
		Ende
	
	If circles are used as a paramter, there is the special syntax
	
		M=point
		parameter circle(M)
	
	This kind of circle can only be used in parameters.
	
